Bijna een eeuw geleden, in 1893 , verscheen de “Geschiedenis der Groninger Veenkoloniën, door H.J. Top. Hij geeft daarin een beschrijving van de remmende invloed die Jan Oldenzeel (of Oldenziel) te Zuidlaren zou hebben uitgeoefend op de ontwikkeling van die veenkoloniën. Met name op die van de “Nieuwe Friesche Compagnie”of “Kylcompagnie”’ later Kielwindeweer en Lula geheten.Top tekent hem ale een “lastige hinderpaal”. Als grondeigenaar te Zuidlaren beweerde hij recht te hebben op de gehele strook veen van Zuidlaarderveen tot aan Muntendam. Hij zou vele machtige vrienden gehad hebben en vele processen gevoerd hebben, o.a. tegen Adraiaan Geerts Wildervanck. Vooral is merkwaardig Top’s mededeling dat dan Oldenziel ëen der voornaamste eigenerfden en Schatgevers (d.i. belastingbetaler) van Zuidbroek was! Tot zover Top.

Wie was die Jan Oldenziel

In de eerste plaats vonden we hem niet te Zuidlaren, maar onder Zuidlaarderveen woonachtig. Hij verschijnt in de stadsrekeningen van Groningen, voor ‘t eerst in 1618. Dan is hij pachter van grond die de Stad in 1617 van de provincie Stad en Lande had gekocht, voormalig kloosterbezit, gelegen “tho Wolde ende in Drenthe”. Er staat in die Stadsrekening: “Johan van Oldenziell gebrucket het veen, hefft seven mudde boulant ende veer matt hoylandes, nyes inghehuret, sal samtlich geven seven schuiten torf”. Deze pacht gold voor 6 jaar, de pacht werd dus in de vorm van schuiten turf betaald. In 1625 is aangetekend dat in 1624 opnieuw is ingehuurd, de pacht is dam verminderd tot 5 schuiten turf. In 1631 ontbreekt Oldenziel in genoemde Stadsrekening, het gepachte zal door een ander overgenomen zijn. Inmiddels was hij namelijk landeigenaar geworden: een stuk, gedateerd 08.01.1618, wijst uit dat Jan Oldenzeel en zijn echtgenote Janne grond op Zuidlaarderveen hadden gekocht. In 1627 breidden ze hunbezit uit: Jan Jansen en Jantien kopen dan het “Selwerder Voorwerk”, op ‘t Groninger veen onder de klokslag van Zuidlaren. Deze landerijen worden beschreven als: “1/20 part veene erves mit busschen, broecke, boulant, lijnlandt heyde en weyde”. We zien hier hoe gevarieerd het landschap bij Zuidlaarderveen destijds was (broecke is moeras, lijnlandt is vlasakkers). Dit complex zal tussen Zuidlaarderveen en de Groeve gelegen hebben en was afkomstig uit het bezit van het klooster Selwerd, bij Groningen, Met “voorwerk “ is bedoeld een gebouw met land op enige afstand van het klooster dat door dat klooster geëxploiteerd werd. Het grensde aan Stadsbezit want de Stad deed nog in 1630 een poging tot “naercoop” (naasting) “deur cracht van swette”. De Etstoel bescliste echter op 12 april 1630 dat de Stad te laat was geweest met zijn eis: ze had niet “binnen jaar en dag”haar eis aanhangig gemaakt. Jan Jansen Oldenseell en Jantien hadden inmiddels een gezin van 6 personen gevormd zoals in 1639 blijkt uit de aanslag wegens ïmpost op het gemaal” (belasting op gemalen koren). Ze gaan door met er verwerven van grondbezit: in 1631 kopen ze van ds. Eylshemius, predikant te Beetgum en Engelum, in Friesland, een arve veen op Zuidlaarderveen, met als zwetten ten noorden en ten zuiden weer de “Heeren van Groningen”’ dat is de Stad. Oldenziel bezat zodoende zoveel grond dat in 1637 wordt genoemd op ‘t veen Oldenzeels platze, een vulle platze”.

Waar lag nu deze “Oldenzeels platze”?

De zuidgrens is aangegeven op de kaart die de landmeter H. Bierum in 1676 maakte, berustend in het gemeentearchief van Groningen. Deze zuidgrens loopt ongeveer west-oost langs een dubbele knik in de weg door Zuidlaarderveen, hoogstwaarschijnlijk langs de boerderij die tegenwoordig bewoond wordt door de familie Hendrik Schrage. Een aanwijzing over de noordgrens vinden we in het “Caartboeck van Sappemeer”van 1691, ook in het gemeentearchief Groningen. Het kaartblad “Bargerveen”(Barge is Wolfsbarge) geeft aan: “Jan Tellingsweg zijnde de Scheyding tusschen Oldenziels Heert en de Compagnie”(dat is Nieuwe Compagnie). Deze Jan Tellingsweg zien we als de tegenwoordige weg van de GroeveZuidlaarderveen- Nieuwe Compagnie naar Kielwindeweer, dus langs de boerderij, tegenwoordig bewoond door de familie Jacob Schrage. De westgrens blijft onduidelijk, misschien de Hunze? De oostgrens zou volgens Oldenziel bij Muntendam liggen op grond van het “recht van opstrek”. Hier raken we de geschillen tussen de Landschap Drenthe en de provincie van Stad en Lande. Aan Drentse kant was men van mening “dat de Oldensielse Veenen verre boven Zemslinie sich uytstrekken”. Over het verloop van de Semslinie is veel te doen geweest! Deze grenslijn werd in 1615 uitgezet door de landmeter Jan Sems, op last van de stahouder Willem Lodewijk van Nassau. Beginnend bij Wolfsbarge verliep deze in rechte lijn naar ter Haar, bij ter Apel. Daardoor kwam Zuidlaarderveen erg in de knel. De Drenten stelden: Sems heeft zich op een punt bij Wolfsbarge opgesteld met zijn rug naar de Martinitoren gekeerd en zette uit deze positie zijn linie uit. Maar: hij had zijn rug moet keren naar de toren van Noordlaren, zou dan uitgekomen zijn bij de tegenwoordige scheiding van Veendam een Wildervank. En daarmee zou Drente recht gedaan zijn. Hierover is een eeuw gestreden, een verhaal apart. Merkwaardig is nog dat in dit conflict enige huisjes op de Vossenburg een rol speelden als “smokkelnesten”. We moeten nu eerst iets zeggen over het gezin Oldenziel. Boven vermeldden we al dat dit in 1639 zes personen telde. Jan Oldenziel en vrouw Jantien moeten beide voor of in 1638 overleden zijn. Het diaconieboek van Zuidlaren bevat n.l. in dat jaar een ontvangstpost “Ontfangen bij d’begraffenisse van d’weduwe van Oldenzell op ‘t veen, 22 stuiver, 3 duiten”. De conclusie hieruit moet wel zijn dat vader Jan Oldenziel met de aanleg van de Nieuwe Friesche Compagnie niet van doen heeft gehad.

Een akte van 18 mei 1653 noemt drie zonen (de 2e generatie) .

  • 11a: Jan Jansen Oldenziel, gehuwd met Geesjen Jans, wonende “tot Suidbroeck in ‘t Oldampt”. Inderdaad vonden we in het Zuidbroeksterprototcol, in het Rijksarchief in Groningen, een aantal bewijzen van hun aanwezigheid aldaar, en wel tussen 16 februarie 1648 en 5 Julie 1665. Ze bezaten land, gelegen tussen Zuidbroek en Muntendam. Hier blijkt dus de mededeling van Top over Jan Oldenziel als ëen der voornaamste eigenerfden van Zuidbroek”, waar te zijn, althans wat betreft de woonplaats.
  • 11b: Gosen Jansen Oldenziel, gehuwd met Gebbe Lopkens, van Kropswolde, en
  • 11c: Luitjen (ook wel Luichjen) Jansen Oldenziel, gehuwd met Beertien Jans, van Kropswolde. Gosen en Luitjes worden genoemd “Respectieve gebroederen woonachtig onder den Clockenslach van Suidlaren”.

Het register van de Grondschatting vermeldt onder Zuidlaarderveen in 1642 Gosen met zijn broer, in 1646 alleen Gosen. Gosen bezat volgens dat Register dan een huis van 12 gebinten, wijd 20 voet, en een schuur van 4 gebinten, wijd 15 voet. In vergelijking tot anderen waren dit geen geringe afmetingen. Twee van de grootste eigenerfden in Zuidlaren, Reinder Tammingh en Frerik Swiers b.v. bezaten gebouwen van 10 gebinten, wijd 26 voet. In 1653 waren deze drie broers nog gezamenlijk landeigenaar te Zuidlaarderveen. Maar dan begint de verkoop ervan in gedeelten. Ze slaagden er in althans een deel van hun gepretendeerde eigendommen ten oosten van de Semslinie te gelde te maken! Het ging om veenpercelen in de Oude Friesche Compagnie (Kalkwijk), ter weerszijden van de Kielsterachterweg. De oostelijke grens ervan was de achterweg tussen Kalkwijk en Borgercompagnie. Hun eigendomsrecht ten oosten van Kalkwijk blijkt in de akte van verkoop van 1653 echter wel dubieus te zijn. Eventuele moeilijkheden daarover lieten ze dan ook uitdrukkelijk voor rekening van de kopers. En dat waren o.a. deelgenoten in de Oude Freische Compagnie. Later, in 1670 verpachtten Luitjen en zijn vrouw Beerte Jansen veen ten westen van de Kielster Raaigrupper (later het Kieldiep). Ook broer Gosen doet in 1676 nog een perceel van de hand “gelegen onder Oldensiels veen in de marke van Zuidlaren, in de Kijllcompangnie”. Ket wek: verlgens verkoper lag de Kielcompagnie in de marke van Zuidlaren. Dit perceel lag tussen “de dieppe raygruppe (later Kieldiep) en de Kielsterachterweg. Eén en ander komt dus neer op een “terugtocht”uit de Groninger Veenkoloniën.

Bovendien was sprake van de boerderij van Gosen Jans. Waar stond die? Enig uitsluitsel daarover geven een kaart uit 1716 van Arnoldus Tideman en Frederik ten Heuvel, in beziet van het gemeentearchief Groningen, en de bekende kaar van Beckering uit 1781. Hieruit moet geconcludeerd worden dat “Oldenziels huis”stond op of bij de Semslinie waar deze de weg van de Groeve naar Kielwindeweer snijdt. Met andere woorden: ter plaatse van de tegenwoordig door de familie Jacob Schrage bewoonde boerderij. Wat de derde Oldenziel-generatie aangaat moeten we opmerken dat we te Zuidbroek geen sporen van kinderen van Jan Jans en Geesje vonden. Te Zuidlaarderveen woonde een zoon van Gosen Jansen en Gebbe, nl. Jan Gosens Oldenziel, die in 1674 trouwde met Jantien Jansen. Zijn zuster Jantien Gosens Oldenziel trouwde naar Garmerwolde. Ook Luitjen Jans Oldenziel en Beertien hadden een zoon: Jan Luichiens Oldenziel, gehuwd met Geertien Harms. Zij worden in 1712 vermeld als wonende te de Groeve, in 1713 op Zuidlaarderveen. Mannelijke nakomelingen van hun zijn niet gevonden, tot dusver. Dat is wel het geval met Jan Gosens en Jantien, zij zullen wel de stamouders zijn van de nu levende Oldenziels. Ze hadden drie zonen, en een dochter die naar Sappemeer trouwde. Die zonen waren:

  • Gosen Jans Oldenziel, geboren in 1688, over wie ons verder niets bekend is.
  • Roelof Jans Oldenziel, die op 31 oktober 1717 trouwde met Hendrikje Geerts Jobing. Eén hunner drie zonen woonde nog onder Zuidlaren, en ander vinden we terug in Borgercompagnie.
  • Jan Jans Oldenziel, te Hoogezand op 4 februari 1703 gehuwd met Kunnegien Alberts. In 1704 is hij vermeld als wonende op de Loula”(Lula). Hij was vervener en raakte in financiële moeilijkheden. Op 31 mei 1707 stelt vader Jan Gosens zich borg voor hem. Hij heeft dan schulden aan ds. S. van Selbach te Zuidlaren dit tot executie wilde overgaan. Bovendien was hij geld schuldig aan zijn turfgravers die hem ook wilden aan pakken.

Tegen het midden van de 18e eeuw zijn de Oldenziels uit Zuidlaarderveen verdwenen. We vinden ze dan o.a. te Borgercompagnie onder Veendam, later te Groningen en Kielwindeweer.

Bron: E.G. Schrage  Veensternieuws April 1985